Jacques, Maria, Martinus en ‘onze’ (Maria)boom

Door: Arnoud Martens

Mariaboom +/-1940

In de nacht van dinsdag 24 juni op woensdag 25 juni 1919 gebeurde er iets, dat de rest van die eeuw nog zou nagalmen in Handel. Op woensdagmorgen 25 juni zag koster Toon van den Akker als eerste, dat het beeldje van Maria weg was uit de kapel. Diefstal!! Grote paniek, want het jaar 1920 zat er aan te komen, waarin tienduizenden pelgrims verwacht werden inclusief de bisschop van den Bosch, die het beeldje kwam kronen en nu was de hoofdpersoon – het Mariabeeldje – verdwenen.
Ook rector Duynstee was helemaal van de leg: in het verslag van pater Martinus van Hoogstraten lezen we “de rector staat te schreien aan het altaar en kan met de mis niet vooruit.”
Maar gelukkig was er al snel een verdachte van de diefstal: Jacques Corstens, een 33-jarige Gemertse patiënt van Huize Padua.
Jacques was door de rechter in Huize Padua geplaatst en werkte overdag therapeutisch als (hulp)schilder onder toezicht van Janus Bouw in de ververij van Padua. Jacques was zo’n beetje kwaad op de hele wereld : op de rechter, die hem naar Huize Padua gestuurd had, over een werkstaking en een verkiezing in Gemert, op de Gemertse pastoor Poell, die weg moest. Maar het was ook – zoals hij later verklaarde – een soort wraak op Vader Overste van Huize Padua, die de van zijn Heeroom gekregen geliefde Rozenkrans met kruis en een relikwie erin van hem had afgepakt en in de kachel had gegooid.

Mariaboom +/-1980

Hij had waarschijnlijk meerdere malen tegen Janus Bouw gezegd, dat hij het Mariabeeldje zou weghalen, want in het verslag van pater van Hoogstraten staat te lezen: “Na de mis op woensdagmorgen ging Jacques naar de ververij, waar Janus Bouw tegen hem zei: ”En Jacques, hebt gij het nieuws al gehoord?” “Nee wat?” “Dat het beeldje weg is, weet gij daar niets af?” “Nee, daar weet ik niets van.” “ Ja, dat zult gij wel weten, gij hebt het weggehaald. Zeg ’t maar, want de rector is helemaal van slag.” Jacques: “Dat kan ik niet uitstaan; dan zeg hem maar, dat ik het heb en dat het in goede handen is.”
Daarop kwam rector Duynstee zelf, vroeg aan Jacques om het beeldje terug te geven, maar die zei, dat hij het niet had, maar in de grond had gestopt en hij wilde niet zeggen waar. De rector vertrok onverrichterzake. Nu werd echter alles uit de kast getrokken om Jacques te bewegen om te vertellen, waar hij het beeldje verstopt had. Een hele stoet kwam voorbij : Frans van Thiel en Jean van Thiel, een paar tantes van Jacques ( ‘Wat heb je daar nu aan?’) en ook de marechaussee. De marechaussees hadden een gemuilbande speurhond bij zich, Zij wilden Jacques meenemen en dan de hond aan hem laten ruiken en loslaten. Maar daar was Vader Overste op tegen : hij was verantwoordelijk voor de patiënten.

Mariaboom +/-2020

De enige, die Jacques’ vertrouwen wist te winnen was kapelaan van Dooren uit Gemert. Met hem ging Jacques ’s avonds om negen uur met een schop naar de Handelse bossen, groef het beeldje op bij de grote, dikke grove den – de latere Mariaboom – en bracht samen met kapelaan van Dooren het beeldje naar de spreekkamer van Huize Padua, waar een dolgelukkige rector Duynstee het in ontvangst nam en voortaan het beeldje ’s nachts in de pastorie bewaarde,
Het was bijna 5 jaar later – op 20 februari 1924 – dat Jacques het verhaal van het gestolen beeldje vertelde aan pater Martinus van Hoogstraten. Die was nog wat familie van hem: een zus van pater Martinus was getrouwd met een oudere broer van Jacques. Jacques had op die bewuste dinsdag goed gekeken, waar alles stond en lag. Om elf uur ging hij uit bed, Hij had de sleutels voor de poort, pakte een ladder op zijn nek en liep in het donker en door de regen naar de kapel. Hij zette de ladder tegen de muur achter het groot altaar, haalde het glas eruit, trok in het raam zittend de ladder omhoog om aan de binnenkant omlaag te kunnen.

Mariaboom beeldje Maria

Het ruitje van de troon bestreek hij met stopverf, zodat hij het eruit kon tikken zonder dat het glas brak. Hij pakte het beeldje, ging de omgekeerde weg naar buiten en ging het beeldje verstoppen in de Handelse bossen. Daarna ging hij terug naar de kapel om de ladder te halen en lag om drie uur weer in zijn bedje in Huize Padua, niet beseffend, dat hij Handel iets unieks geschonken had : een boom, die 100 jaar lang alom bekend zou staan als de Mariaboom : de bekendste boom voor jong en oud in Handel.

Arnoud Martens